FCI Standaard voor de Cao de Agua Portugues (Portugese Waterhond)


Algemene kenmerken
Een middelmatig grote hond, zeer goed geproportioneerd, stoer en gespierd. Zijn voortdurend gebruikt voor het werk in het water verklaart buitengewone ontwikkeling van zijn spieren. Vroeger door geheel Portugal gebruikt; tegenwoordig komt hij vrijwel alleen voor in de Algarve, waar de visserijtradities bijna zoals in het verleden voortleven.

Maat en Gewicht
Schofthoogte reuen 50 tot 57 ideaal is 54 cm gewicht 19-25 kg
Schofthoogte teven 43 tot 52 ideaal is 46 cm gewicht 16-22 kg

Hoofd
Het hoofd is goed geproportioneerd en massief. Van opzij gezien is de schedel iets langer dan de snuit. De welving van de schedel is van achter duidelijker dan van voren. De achterhoofdsknobbel is goed duidelijk. Van voren gezien is de schedel gewelfd, met een kleine groef in het midden. De voorhoofdsgroef loopt tot twee derde van de schedel; het voorhoofd steekt vooruit. De snuit loopt van de aanvang naar de neus toe. De stop is duidelijk en loopt onder de binnenste ooghoeken iets terug. De neus is breed, goed geopende neusgaten die fraai gepigmenteerd zijn. De kleur van de neus wisselt met die van de vacht. De lippen zijn tamelijk dik, vooral van voren. De binnenkant van de mond is goed zwart, de krachtige kaken zijn noch boven- noch ondervoorbijtend. De tanden zijn bij gesloten mond niet zichtbaar; de hoektanden zijn sterk ontwikkeld.

Ogen
Middelgroot en goed uit elkaar staand. Zij staan lichtelijk schuin, zijn rond en noch diepliggend noch uitpuilend. De kleur mag hetzij bruin, hetzij zwart zijn. De oogleden hebben zwarte randen. Het bindvlies is niet zichtbaar.

Oren
Zijn hartvormig, dun en goed boven ooghoogte aangezet. Behalve een kleine opening aan de achterzijde, liggen de oren dicht tegen het hoofd. De punten moeten niet beneden de bovenkant van de nek reiken.

Hals
Kort en recht, goed gerond en fier gedragen. Sterk gespierd, zonder manen of keelhuid.

Voorhand
De voorbenen zijn sterk en recht. De schouder is schuin en zeer goed gespierd. De opperarm is sterk en van normale lengte, de onderarm is lang en buitengewoon zwaar gespierd. De middenvoet is lang en krachtig. De voorvoeten zijn rond en tamelijk plat. De tenen moeten niet te lang zijn en niet gewelfd; zij hebben goed met haar bedekte zwemvliezen. Zwarte nagels hebben de voorkeur, doch nagels van een andere kleur , passend bij die van de vacht, zijn toegestaan. Gewoonlijk staan de nagels iets van de grond af. De grote voetzool is erg dik, de teenzolen zijn normaal.

Lichaam
De borst is breed en diep en reikt tot de elleboog. De ribben zijn lang en goed gewelfd. De schoft is breed en niet bijzonder duidelijk. De rug is kort en stevig. De buik is in bevallige lijn opgetrokken. Het kruis is goed gevormd en slechts licht hellend, de heupbeenderen zijn nauwelijks zichtbaar.

Staart
Niet gecoupeerd, dik bij de aanzet, geleidelijk naar de punt toelopend, noch te hoog noch te laag aangezet en niet tot onder de sprong reikend. Als de hond attent is moet de staart in een ring worden gedragen, waarvan het voorste gedeelte niet voorbij het einde van de lenden moet liggen. De staart wordt zowel bij zwemmen als bij duiken gebruikt.

Achterhand
De dijen zijn krachtig en van normale lengte, zwaar gespierd. De onderdij is lang en sterk gespierd, duidelijk van voren naar achteren aflopend. De pezen zijn goed ontwikkeld. De achterkant van de dij is lang en goed gebogen. De middenvoet is lang. Er zijn geen Hubertusklauwen. De achtervoeten zijn in alle opzichten gelijk aaan de voorvoeten. De benen zijn normaal geplaatst. Het is niet fout als de voeten zodanig zijn geplaatst, dat zij iets naar voren staan en als de achterbenen, van de sprong naar beneden toe eveneens enigszins naar voren staan.

Beharing
Dikke vacht, gelijkmatig over het gehele lichaam verdeeld, behalve op de onderarm en liezen, waar hij dunner is. Er zijn twee soorten vachten, de ene met tamelijk lang, golvend haar, dat nogal los groeit en een lichte glans heeft, het haar boven op het hoofd rechtopstaand en dat op de oren lang, en een tweede type met korter haar, bestaande uit dichte krullen, zeer dik en niet bijzonder glanzend. Bij deze variëteit is het haar op het hoofd gelijk aan de overige vacht, terwijl het op de oren soms eerder golvend dan gekruld is.
Kleur. Zwart, wit en verschillende tinten bruin; eveneens combinaties van zwart of bruin met wit. Een witte vacht wijst niet op albinisme, mits neus, lippen en oogleden zwart zijn.
Huid. Bij dieren met een zwarte, witte of zwart met witte vacht heeft de huid een uitgesproken blauwachtige kleur.
Er is geen ondervacht.

Diskwalificaties
Te groot of te klein zijn; Zeer lang, smal, plat of puntig hoofd; Te lange of overmatig puntige snuit; Geheel of gedeeltelijk vleeskleurige of ontkleurde neus; Lichte ogen, onderling van vorm of grootte verschillende ogen; Diepliggende of uitpuilende ogen; Oren anders aangezet dan hierboven aangegeven; Overmatig grote of kleine oren; Gevouwen oren; Gecoupeerde of onvolledige staart; Totaal gemis van de staart; Zware staart; Staart die in actie hangt of loodrecht wordt gedragen; Hubertusklauwen aan achterbenen; Vacht afwijkend van boven beschreven typen; Albinisme; Boven- of ondervoorbijten; Doofheid – hetzij erfelijk of verkregen.